 |
|
| » Opleidingen » Competentiegericht opleiden |
|
|
Competentiegericht Opleiden |
Bij de Atletiekunie betekent competentiegericht opleiden dat de cursist in de praktijk aan het werk gaat. De cursist werkt aan het verwerven van kennis en het verbeteren van vaardigheden met een opdracht als uitgangspunt. De cursist wordt hierin begeleid door de leercoach en de praktijkbegeleider. De rollen van de begeleiders worden besproken in voorbeeld 3.
Een definitie: Een competentie is het geheel van kennis, vaardigheden, houding en persoonlijke eigenschappen dat in bepaalde situaties leidt tot succesvol presteren.
Voorbeelden van een competentie: · geven van trainingen; · coachen bij wedstrijden.
Opdrachten Opdrachten staan centraal binnen competentiegericht opleidingen. De leercoach en de praktijkbegeleider begeleiden en observeren de cursist. Hierdoor kunnen de leercoach en praktijkbegeleider sturing geven aan het leertraject. De opdrachten zijn zo gemaakt dat het mogelijk wordt optimaal bij te sturen door observatie en begeleiding.
Voorbeeld van een opdracht Door het uitvoeren van opdrachten leert de trainer in opleiding. Het resultaat van een opdracht kan gebruikt worden voor een beoordeling. Als een ervaren collega dezelfde opdracht uitvoert leidt dit niet direct tot leren, we noemen het dan routine.
Voorbeeld 1: Een competentie is het assisteren tijdens activiteiten. Een trainer in opleiding assisteert de verantwoordelijke trainer bij de voorbereiding van een activiteit. Dit doet hij door het uitvoeren van een aantal opgedragen taken, bijvoorbeeld het klaarzetten van materialen. Hij leert hierbij dat hij samenwerkt met anderen aan een taak en dat hij afspraken nakomt. De praktische handelingen zijn leermomenten.
De opdrachten worden uitgevoerd met als primair doel om te laten leren. Bij het ontwerpen van de opdrachten heeft de ontwerper specifieke leerdoelen voor ogen. Deze doelen worden bij de opdracht gespecificeerd. Bij een leerdoel gaat het om bijvoorbeeld het ervaren van, het oefenen of het kennismaken met bepaalde competenties, vaardigheden, kennis of beroepsproducten. Daarom staat niet zozeer de kwaliteit van het concrete resultaat als wel het leerrendement voorop.
Een vervolgopdracht De opdrachten kunnen kennisgericht of vaardigheidsgericht zijn. Kennisgerichte opdrachten zijn bijvoorbeeld studieopdrachten. Vaardigheidsgerichte opdrachten zijn bijvoorbeeld opdrachten waarbij een (deel)taak van het trainersvak moet worden uitgevoerd. Met de uitkomst van de opdracht uit voorbeeld 2 wordt gewerkt in een aantal volgende opdrachten.
Voorbeeld 2: De cursist krijgt de volgende opdracht: Maak een jaar-trainingsplan voor de atleten uit de trainingsgroep: a.) Neem de trainingselementen op in het trainingsplan die gedurende het trainingsjaar terugkeren in de verschillende perioden; b.) Verwerk de elementen in een weekprogramma; c. )Verwerk de relevante punten uit het werkplan; d.) Werk de actuele en de eerstvolgende periode uit, gericht op de doelen van de atleten uit je stagegroep.
Doel: Een realistisch jaarplan waarmee elke atleet uit de groep kan worden ondersteund om de doelen te behalen. Een hulpmiddel voor de trainer waaruit de trainingen op verantwoorde wijze kunnen worden opgezet en voorbereid. In voorbeeld 2 is het primaire doel: Het verwerven van de juiste kennis voor het opstellen van een jaarplan. Deze kennis kan de cursist opdoen door het raadplegen van internet, lezen van boeken, volgen van workshops of vragen stellen aan specialisten. Het gebruiken van deze kennis bij het maken van het jaarplan is in eerste instantie belangrijker dan de kwaliteit van het jaarplan. De cursist zal de komende tijd het jaarplan bijstellen en verbeteren.
Hoe toon je aan dat je een competentie beheerst? Bij competentiegericht leren gaat het er uiteindelijk om dat de cursist kan aantonen wat hij heeft geleerd. De cursist moet de kennis kunnen toepassen. Het gedrag van een cursist maakt zichtbaar of hij/zij de kennis, vaardigheden, houding en persoonlijke eigenschappen (ofwel competentie) beheerst. Daarom maken we gebruik van de observatiemethode. Praktijkbegeleider, leercoach en groepstrainers observeren het gedrag van een cursist. En trekken hieruit conclusies waarmee ze de cursist verder op weg kunnen helpen. Competentiegericht leren gaat uit van de vragen: wat kun je al, en hoe kan je dat nog verbeteren? Met name als de gegevens die tijdens het leerproces zijn verkregen onvoldoende zekerheid geven om betrouwbare conclusies te trekken, is een toetsingsmoment belangrijk als aanvullend meetmoment.
Voorbeeld 3: Een trainer in opleiding spreekt met de praktijkbegeleider af dat hij aanvangt met de opdracht: Je gaat twaalf trainingen verzorgen. De trainingen zijn afgestemd op de individuele verbeterpunten binnen het betreffende doel. De trainingen moeten passen binnen je jaarprogramma. Tevens worden de toetsingsmomenten afgesproken. Deelopdracht 1. Geef drie trainingen gericht op het verbeteren van de looptechniek. Bepaal vooraf duidelijk welk aspect van de looptechniek je tracht te verbeteren. Deelopdracht 2. Geef drie trainingen gericht op het verbeteren van het aërobe uithoudingsvermogen m.b.v. duurloopvormen. Bij iedere training moet er sprake zijn van een andere organisatievorm. Deelopdracht 3. Geef drie trainingen gericht op het verbeteren van het aërobe uithoudingsvermogen m.b.v. intervaltrainingen. Deelopdracht 4. Geef drie trainingen m.b.v. 'speelse loopvormen'. Het doel van de training moet vooraf duidelijk zijn. Vier observaties worden uitgevoerd door de praktijkbegeleider. Uit elke deelopdracht één training. Dit zijn de toetsingsopdrachten. Tijdens alle trainingen worden de criteria gebruikt op het observatieformulier en zijn gelijk aan de beoordelingscriteria om vast te stellen of de cursist competent is in het geven van training. Tijdens de toetsingsmomenten observeert de praktijkbegeleider. Hij stelt vast of het leerproces op gang is gekomen en zet de cursist zonodig aan om nieuwe persoonlijke leerdoelen te bepalen.
De opdracht is gereed als het leerproces heeft geleid tot het voldoen aan de vooraf bepaalde criteria. In de praktijk kan dit betekenen dat een cursist daar meer dan 12 trainingen voor nodig heeft. Mogelijk ook minder. De observatiemomenten en de leer - en beoordelingsgesprekken die de praktijkbegeleider voert met de cursist worden op het observatieformulier opgetekend en dienen als bewijslast bij de Proeve van Bekwaamheid (PvB) en mogelijk als nieuw startpunt voor een vervolgopdracht.
Cursisten in een competentiegerichte opleiding zijn voortdurende bezig de te ontwikkelen competenties te vergelijken met de verwachtingen in de praktijk. De opleiding moet daarom zo ingericht worden dat de cursist voortdurend bezig is met de vragen: - wat wordt er in mijn (toekomstige) praktijk van mij verwacht? - wat zijn daarbij mijn sterke en mijn zwakke punten? - hoe kan ik mij daarin verder verbeteren? Begeleiders treden hierbij coachend op. Coachende praktijkbegeleiders richten hun aandacht vooral op het ondersteunen bij het zelf laten beantwoorden van deze vragen en nieuwe vragen die zijn ontstaan.
Een competentiegerichte opzet van een opleiding vraagt om begeleiders die niet in de eerste plaats begeleiden vanuit een visie op het eigen vak, maar vanuit een visie op het (toekomstige) vak van de cursist, waarbij theorie en praktijk met elkaar samenhangen. De opzet vraagt van de cursisten een actieve en zelfstandige houding.
|
|
|
|
|
 |
| |